klompenmuseum eelde 2 klompenmuseum eelde Internationaal Klompenmuseum Eelde 25 jaar

EELDE-PATERSWOLDE – Het Internationaal Klompenmuseum Gebr. Wietzes bestaat dit jaar 25 jaar.  In het kader van het jubileum loopt de expositie ‘Paradepaartjes’.
“We hebben aan de vrijwilligers gevraagd wat ze de mooiste klompen vinden, zo zijn we op ‘paradepaartjes’ gekomen”, vertelt directeur Bertus van den Hof. “Daar hebben we de expositie omheen gebouwd. De vrijwilligers kozen onder meer – uiteraard- klompen van de gebroeders Wietzes, Japanse priesterklompen, werkklompen, kunstklompen, bruidsklompen van Marken, de grote collectie uit Frankrijk, de speciale verzameling uit Spanje.” Er zijn zo’n zestig vrijwilligers actief voor het museum. Henk Lemmen is een van deze mensen. “We trekken vierduizend bezoekers per jaar”, legt Henk Lemmen uit,  die een rondleiding verzorgt. “Er zijn meerdere klompenmusea, maar we hij hebben wel de meest uitgebreide collectie: 2600 klompen uit 43 landen. Het verschil met andere musea: we hebben hier geen actieve klompenmaker meer”. Maar Eelde hád wel klompenmakers, de bekende gebroeders Wietzes. Een film toont het werk van de Eeldenaren. Klompen werden gemaakt van wilgenhout. Daarvoor werd een trekzaag gebruikt en een blokmes, om in model te krijgen. Vervolgens werden ze uitgeboord en versierd. Later kwamen de machines, zoals een lintzaag en bandschuurmachine voor het gladde uiterlijk. Naast het vervaardigen hebben Egbert en broer  Eiso zo’n driehonderd klompen verzameld. In 1990 kwam het idee voor een museum. De befaamde Wietzes klompen worden nog steeds gemaakt, maar dan door Nijhof uit Enter. “Een man uit Friesland is een trouwe afnemer. Na twee jaar zijn de klompen af en haalt hij weer drie paar op. Overigens zijn er nog altijd in Nederland dertien klompenmakerijen die er het brood mee verdienen.”
Het museum herbergt bijzondere exemplaren. Zoals een van de oudste klompen, uit 1217, afkomstig uit Rotterdam. Spaanse ‘madreñas’, met noppen die vervangbaar zijn als bij voetbalschoenen en  speciale carnavalsklompen uit het Belgische Binche en een collectie Franse klompen, ‘sabots’ genoemd. Stokte de machine dan was het sabotage”. Het wordt een Europese collectie genoemd, maar de klompen komen ook uit andere delen van de wereld, zoals Japanse priesterklompen.  Klompen werden gedragen voor het werk, maar ook om uit te gaan. Voor de vrouwen was er een punt aan gemaakt, zodat de rok niet in het zand- vroeger waren er veel zandpaden- bleef steken.  De Syrische bruidstrippen hadden aan de onderkant een blok. Dan stonden de vrouwen wat hoger. Zeldzaam zijn ook de smokkelaarsklompen, met de hak die aan de voorkant zat. Om je letterlijk op een dwaalspoor te brengen. Elk jaar kent het museum een nieuw thema, gerelateerd aan het cultureel erfgoed en kunst. Mooi is ook de wand met een klompenserie die per provincie zijn ingedeeld. Iedere streek en zelfs plaats  had zijn eigen karakteristieke klomp en kleur. Het Klompenmuseum is ook elk jaar actief met Oktobermaand Kindermaand. Kinderen mogen de klompjes een eigen kleur geven. Het vak van klompenmaker is van een uitstervend ras. Klompen worden nauwelijks meer gedragen. Het baart Van den Hof ook zorgen. “Er zijn nog twaalf klompenmakers over. In 1950 waren er nog zeventienhonderd. Het gaat heel hard achteruit. Als er nog vijf overblijven is het veel.”Maar klompen zijn er nog in overvloed. Ze zijn te kust en te keur en in allerlei variaties te bewonderen in het unieke Internationaal Klompenmuseum.