‘Luister oprecht naar mensen met traumatische ervaringen’

VRIES – In zijn landelijke boerderij aan de Veenweg in Vries heeft auteur Herry Vos een prachtige, lichte woonkamer. Gesetteld in een relaxte fauteuil vertelt hij over zijn nieuwe boek ‘Als zwijgen mag’. Het is het derde boek dat de voormalig psychotherapeut uitbrengt. Daarvoor verschenen de boeken ‘Liefdeshaat’ en ‘Verdwaling’, enkele dichtbundels en een hoop wetenschappelijke artikelen van zijn hand. “Als zwijgen mag, is een fictief verhaal dat gaat over de behandeling met mensen die ernstige, traumatische ervaringen hebben gehad”, vertelt Vos. Dertig jaar heeft hij gewerkt als psychotherapeut en in die dertig jaar heeft hij tig verhalen gehoord van mensen met weerzinwekkende ervaringen. “Een aantal komen op een fictieve wijze terug in het boek. Ik heb de afgelopen jaren veel kennis opgebouwd met betrekking tot deze doelgroep. Bovendien ben ik bestuurslid van het Kenniscentrum Transgenerationeel Georganiseerd Geweld. Dat is een centrum dat informatie geeft in netwerken over misbruik en de behandeling daarvan. Hierbij kan men denken aan seksueel misbruik, uitbuiting en verwaarlozing vanaf zeer jonge leeftijd”, legt Vos uit. Een belangrijk punt dat Vos in het boek aanhaalt, is de dissociatieve identiteitsstoornis. Bij deze stoornis is iemand als het ware opgesplitst in verschillende deelpersonen. De huidige benadering en manier van werken van het GGZ met betrekking tot deze stoornis is volgens Vos over het algemeen erg slecht. De kennis over de dissociatieve identiteitsstoornis is onvoldoende en door maatschappelijke ontkenning niet voldoende belicht. “Mede door de regels van ziektekostenverzekeringen en overheden wordt het psychologen en psychiaters onmogelijk gemaakt om de ideale behandeling, zoals in mijn boek beschreven, uit te voeren. Het gebeurt nu te fragmentarisch en daar is het slachtoffer de dupe van. Mensen die met een traumatische ervaring rondwandelen, wantrouwen de wereld op alle fronten. Het doel van een therapeut in deze is om ervoor te zorgen dat slachtoffers hem of haar gaan vertrouwen. Het opbouwen van dit vertrouwen kost tijd en die heeft men door de beperkende regels niet. Bovendien trekken slachtoffers niet zelf aan de bel, omdat ze de ervaring hebben vaak niet geloofd worden. Dat komt omdat ze door deze stoornis moeilijk een consistent verhaal kunnen vertellen. Dat is dan ook de reden dat politie bijvoorbeeld weinig met deze mensen doet en dat is schrijnend”, verklaart de auteur. Hij hoopt ook dat het pingpongspel tussen GGZ en verslavingszorg eens een keer ophoudt: “Dat pingpongspel moet stoppen. De GGZ stuurt mensen naar de verslavingszorg en andersom. Een persoon met een verslaving die daarnaast psychische problemen heeft, wordt dan, als ze al eens om hulp vragen, van het kastje naar de muur gestuurd. Zo staat deze hulpbehoevende in een spagaat en dat moet te allen tijde voorkomen zien te worden.” Vos schreef het boek op basis van zijn ervaringen als psychotherapeut en vanuit zijn zorgen over de steeds kleiner wordende mogelijkheden voor ernstig getraumatiseerde mensen de hulp te krijgen die zij verdienen, in een tijd die steeds meer gedomineerd wordt door symptoomgerichte en fragmentarische behandelingen. In het boek legt hij tevens uit waarom de ideale behandeling zoveel tijd en ruimte vraagt. Met dit boek wil ik mensen bewust maken van de plaats die de dissociatieve stoornis nu in de maatschappij heeft en bereiken dat psychologen en psychiaters na gaan denken over hun eigen manier van behandeling. Wellicht brengt dit boek hen tot nieuwe inzichten. Ik hoop het in ieder geval wel”, besluit Vos.