Lang, lang geleden was de Bisschop van Utrecht de baas in Drenthe. Om een oogje in het zeil te houden op plekken in het land waar hij zelf zelden kwam of gewoon liever niet kwam, zoals Drenthe, had hij een schulte aangesteld. Zo’n schulte hielp daar met rechtspreken als iemand iets had gedaan wat niet mocht. Van zo’n schulte werd dan ook verwacht dat hij zichzelf ook netjes aan de regels van de bisschop hield. Wat hij natuurlijk niet altijd deed, want hij was het lang niet altijd met de bisschop eens. Oftewel, ze hadden nogal eens mot. Soms liep zo’n ruzie op en moest de schulte zich zelfs verdedigen tegen het leger van de bisschop. Zo ook de schulte van Eelde.

Om zich goed te verdedigen bouwde de schulte een kasteel. In Eelde is dat gedurende de middeleeuwen meerdere keren gebeurd. Waarschijnlijk is omstreeks 1040 het eerste kasteel van Eelde afgebroken. Het moet vervolgens weer zijn opgebouwd, want in 1241 is het weer verwoest. Van de opbouw weten we weinig, maar we weten wel dat het in 1256 door de kastelein van Coevorden en tevens Drost van Drenthe werd verwoest. Het bleven onrustige tijden, dus in 1266 is er waarschijnlijk weer een nieuw kasteel gebouwd. Het was nog maar net opgeleverd, of het werd al weer gesloopt, dit keer door helpers van de bisschop. Ook de heren van Peize hebben het kasteel eens gesloopt. Dat kwam hen duur te staan, want ze werden er voor ter dood veroordeeld. Ja ja, het ware roerige tijden! Het gebakkelei van tegenwoordig over het centrum van Eelde of de inrichting van de Hoofdweg is er niets bij. Tot in de 14e eeuw was er een schulte in Eelde en was het kasteel waarschijnlijk in gebruik.

Dergelijke kastelen werden mottekastelen genoemd. Ze werden boven op een heuvel gebouwd, zodat je goed uitzicht had op eventueel gespuis. Hoe de mottekastelen in Eelde er precies uit hebben gezien weten we niet. Meestal werden ze van hout gemaakt. Vermoedelijk in Eelde ook. Een aantal middeleeuwse mottekastelen in Nederland bestaan nog altijd, maar die zijn dan ook van steen. Voor de gelegenheid heeft de maker van dit beeld op de voorkant, het kasteel dus maar van steen gemaakt, dan was de kans dat de toren er nu nog had gestaan iets groter geweest. Hoewel, ook niet alles van steen heeft het eeuwige leven. Er heeft namelijk ook een havezate gestaan en die was wel degelijk van baksteen en kloostermoppen, maar ook die is inmiddels met de grond gelijk gemaakt. Het mag duidelijk zijn: de maker van dit werk (en ondergetekende) is echt een historicus van de onderste plank, het mottekasteel en de havezate hebben elkaar namelijk nooit ontmoet. Dus zo gezellig naast elkaar zoals op het schilderij hebben ze nooit gestaan. Laat staan dat onze burgemeester Marcel Thijsen er met groene rubberlaarzen en een 17e eeuwse molensteenkraag heeft kunnen resideren.

Maar goed, ook van de havezate weten we niet precies hoe die eruit heeft gezien. Er zijn geen tekeningen van en er zijn nauwelijks restanten gevonden. Toch is er wel iets bekend! In ieder geval een stuk meer dan het mottekasteel. Want…. tromgeroffel… in de Groninger Courant uit 1755 werd de havezate te koop aangeboden en daarin werden samen met een wervende advertentietekst ook de afmetingen vermeld: ‘In het laatste der voorgaande eeuw een zeer sterk gebouwd, breed 60 en diep 40 voeten, met een omlopende kap gedekt, voorzien met 4 beneden en 6 bovenkamers (…) Havezate ter Borch, bestaande in een deftige vierkante heerenhuyzinge met tien spatieuse zoo boven als beneeden vertrekken, keuken, verwelfde kelder en verder commoditeyten voorzien: een groote schuure of te schathuys en daarin stallingen voor paarden en beesten. (…) Met schuurtje, gestoelte en grafsteden in de kerk en op het kerkhof, de gerechtigheyd op de moolen, visscherije… etc.’ De heer Kymmel uit Roden las de advertentie en dacht: nou kom maar door en hij kocht de aangeboden havezate voor 13.000 gulden. Hij was echter niet van plan om er in

te wonen, want hij zou toch Mensinge in Roden erven. Hij liet de havezate in hetzelfde jaar nog afbreken door timmerman Hendrik Uges uit Paterswolde. Dit zou Uges ‘op een voorzigte en welberaden wijze’ doen. Uges heeft niet alleen de bovenbouw, maar ook de kelders en de fundamenten gesloopt, de stenen van het huis heeft hij één voor één schoongebikt en gesorteerd. Zelfs de stenen van het fundament heeft hij opgegraven en daarna werd de boel netjes aangeharkt, alsof het landhuis er nooit heeft gestaan. Alles werd hergebruikt. Als Uges toen een koelkast met een fles cola had, zou hij daar vermoedelijk de spijkers die vrijkwamen in hebben gelegd om ze roestvrij te maken. Recycling was nog heel normaal. Duizenden hele en halve stenen, dakpannen, deurkozijnen, zerkenplaten, hout, lood en ijzer, sorteerde hij als Legosteentjes in Tupperware bakken. Alle bakken samen leverde totaal 1500 gulden op. Timmerman Uges heeft echter in zijn ‘voorzigte en welberaden wijze’ toch een paar steekjes laten vallen, want de welbekende professor A.E. van Griffen heeft in 1966 toch wat middeleeuwse muurresten weten te vinden.

Zou het motte kasteel dan toch van steen zijn geweest? Dan klopt de afbeelding opeens wel. We komen er misschien nooit achter. De stenen die van Griffen vond kunnen namelijk heel goed van een schuurtje zijn geweest en eigenlijk ligt dat toch echt meer voor de hand. En nu? Nu is het een terrein waar je kunt beleven hoe het ooit geweest is. Je kunt je ogen sluiten en met een koptelefoon op, met de geluiden van zwaardvechtende riddertjes, waan je je even in de middeleeuwen. Maar stel nu, stel nu hè dat het mottekasteel en de havezate de tand des tijds hadden doorstaan, dan had onze burgervader Marcel Thijsen er een reuze interessant onderkomen. En met zijn twee ridders hoefde hij ‘s avonds niet te vrezen voor gespuis uit Groningen, Utrecht of Peize. Het werk hangt in het voorjaar van 2022 boven de tafel van de burgemeester en is te zien in de hal van het gemeentehuis in Vries. Met grote dank aan de heer Thijsen, de cultuurcoaches van de gemeente Tynaarlo (Frits Colenbrander en Gea Jonker) en de provincie Drenthe.

Heerko Tieleman