"Dit is een van de mooiste hobby’s"

VRIES – Tonnie Snijder is actief in de duivensport. Een sport waarvoor de belangstelling afneemt. De enthousiaste Snijder vertelt graag over wat hij zelf ‘een van de mooiste hobby’s’ noemt.

Duiven worden vaak ‘dakschieters’ genoemd. "Maar een postduif zit nooit op het dak", wil Snijder dit misverstand meteen uit de wereld helpen. "Van huis uit was ik al bezig met duiven. Ik had de duiven in een kippenhok, dat waren sierduiven. En maar wachten op de eitjes die niet uitkwamen. Ik wist niet of het mannetjes of vrouwtjes waren". Snijder weet er nu alles van. "Ik heb ook kapucijnduiven gehad, die met die kragen. Die trekken postduiven aan. Ik was 12 jaar. Ik kreeg steeds meer: Duitse, Engelsen, Fransen en verschillende kleuren. Tijdens mijn tijd in de slagerij wilde ik me bezig houden met vissen. Daar had ik net als voor de duiven echter geen tijd voor. De hengels bleven aan het plafond hangen. Maar na de verkoop van de slagerij begon het toch weer te kriebelen. Eerst weer met sierduiven. Ik wilde een stapje verder en dan kom je in de wedstrijdsport. Ik ben lid geworden van postduivenvereniging De Vriezer Post (jawel). Maar doordat het aantal leden, meest ouderen, daalde -en het is verplicht om een bepaald aantal leden te hebben- werd de club opgeheven en sindsdien ben ik lid van de Asser club ‘De Snelvlieger’, waar ook meerdere Vriezenaren lid van zijn geworden". De beste prestatie behaalde Tonnie in 2010 toen hij tweede werd van Nederland in de categorie 3, ‘Fond’, oftewel eendagsvluchten. "Ik heb nog met een reportage in een Duits blad gestaan", zegt Tonnie trots, die het tijdschrift erbij haalt. ‘Brieftraubensport’, is het toonaangevende internationale duivensportblad. ‘Meister Eintagsweitstrecke 2010′ siert de kop. Want: de duiven vliegen in een dag terug. Ze werden losgelaten in Midden-Frankrijk. De afstand: 820 kilometer. "Mijn verste afstand tot nu toe. Je kunt kiezen uit een vliegprogramma, beginnend vanaf 100 kilometer. Zo’n duif vliegt niet zo maar even 800 kilometer. Nee, je begint met de jongste duif eerst met ‘opleren’, beginnend bij 100 kilometer en dan laat je hem elke dag een stukje verder vliegen. Dat is eerst echt pierewaaien. Soms komt zo’n duif een andere tegen en gaat hij daarmee weg. Na zes weken kan de duif de sprong maken naar Frankrijk. Overigens zijn er ook ‘overnachters’. Dat zijn andere soort duiven, rustiger en kunnen daardoor langere afstanden overbruggen. Die ik heb zijn echte ‘brandlappen’, zeg maar sprinters". Tonnie maakt overigens deel uit van een team, ‘combinatie Snijder-Mulder’. De grote vraag: hoe houd je zo’n duif in conditie zodat hij zover kan vliegen? "Een goed, aangenaam hok is heel belangrijk. Het mag niet tochten. In ons team heb je een voedingsspecialist. Je moet het zo zien. Aan het eind van de week geef je ze geen eiwitten meer. Je kunt het vergelijken met een hardloper, die voor de wedstrijd ook geen snert neemt. Goede duiven zijn er weinig. Ze moeten de wil hebben om naar huis te komen. Anders zoek hij een ander huis op. Het moet klikken. Je moet ze begeleiden. De duif die de minste fouten maakt wordt kampioen". Nummer twee van Nederland. Dan wil je toch een keer kampioen worden? "Ja, die ambitie heb ik wel. Maar dat word je niet zomaar. Bovendien: eerste in een categorie dan sta je nog in de schaduw van de algehele landstitel. Daarin werd ik 23e. Hoe dan ook, je hebt met dieren te maken en die kunnen minder gezond zijn. We waren er in 2010 overigens dichtbij, maar dat is net als met voetbal: tegen de lat, telt niet als doelpunt. Ik heb er dit jaar niks van gebakken. Zoals gezegd: tocht is niet goed. Het is een koud voorjaar geweest. En ik heb wat dakpannen scheef liggen. De wind komt er onder en maakt het hok- bevestigd aan het dak- koud. Dat is niet bevorderlijk voor de conditie. Overigens bij zo’n wedstrijd moet het helder weer zijn voor ze gelost worden ( de duiven komen gekorfd in vrachtwagens aan bij de losplaats). Bij motregen kunnen ze zich niet oriënteren. Dat is wel eens voorgekomen. Kreeg ik een mail van een Française die mijn duif gevonden had in de tuin. Bij het mailcontact moest ik het woordenboek erbij pakken. Ik had hem ook op kunnen halen. Alleen als het een mooie vrouw is doe ik dat, haha. Zo’n vlucht – gaat altijd van zuid naar noord, daar zijn de duiven op afgericht- gaat dus lang niet altijd vlekkeloos. Zo’n duif kan ook een rampvlucht hebben. Je komt dan niet achter de oorzaak. Normaal gezien kun je de vlucht op de voet volgen. Via teletekst. Als deelnemer moet je de beschikking hebben over een antenneklok, waarop je alles kunt aflezen: tijd, snelheid, afstand. Van de veertig duiven die ik heb (waaronder kweekduiven) heb ik zo’n twintig wedstrijdvliegers. In totaal doe ik mee met zo’n vijftien vluchten per jaar". Duivenmelker Tonnie Snijder vertelt enthousiast over zijn passie. "Ik heb er net een paar nieuwe duiven bij, dat zijn de besten van België. Door ze te kruisen met je eigen duiven probeer je ze sterker te maken. Maar dat dacht ik wel eens vaker en bleek het helemaal niks. Maar alleen die voorpret is al mooi. Duivensport is een individuele sport, maar je hebt elkaar wel nodig. Zeker in deze tijd. Landelijk waren er enkele jaren geleden nog 20.000 duivenliefhebbers, we zijn er door met name vergrijzing 6000 kwijt. De jeugd heeft veel te veel andere dingen. Je moet er ook wel ruimte voor hebben en tijd. Het is zo’n prachthobby. Het zijn net kinderen. Ze puberen ook. Ik heb eentje daarom Pietje Bell genoemd, die is altijd ondeugend. Ze herkennen je. Ze vernemen direct of je goed gehumeurd bent of niet. En na zo’n lange vlucht gaan ze niet eerder het hok in tot het baasje komt om hem te begroeten. Zet er maar boven: dit is een van de mooiste hobby’s", zegt Snijder, die eraan toevoegt dat als mensen zich aangetrokken voelen tot de duivensport dat leden graag bereid zijn te helpen. .

Tonny Snijder