Vosbergen museumDe historische muziekcollectie van familie Verel

EELDE-PATERSWOLDE – Museum Vosbergen omvat een collectie van meer dan 950 muziekinstrumenten. Dick Verel kan er alles over vertellen en bespeelt de instrumenten, waarvan velen uit een heel oud verleden stammen. “Het is de ontwikkeling van de instrumenten, dat maakt het zo leuk”. Museum Vosbergen van Dick en Rieteke Verel kreeg in 2005 de Cultuurprijs. Hoogste tijd voor een bezoek.

“Enige muziekinstrumentenmuseum van Nederland? Er is ook een grote collectie in Den Haag, maar die afdeling is gesloten. Een deel daarvan is ondergebracht in het laatste zaaltje van het Rijksmuseum en dan gaat het vooral om instrumenten uit de 17e en 18e eeuw. Dit is veel algemener”, vindt Verel. Kun je het achterafzaaltje in Den Haag als een uithoek beschouwen, het museum in Paterswolde ligt ook in een uithoek. “Maar wel een leuke uithoek”, verdedigt Verel. “Ik verzamel muziekinstrumenten sinds mijn twaalfde jaar. Dat heeft noodlottige vormen aangenomen”, zegt Verel met een humoristische ondertoon. “Ik heb altijd wat met muziek gehad. Maar vooral instrumenten interesseerde me. Oude dingen waar mensen mee bezig zijn geweest, dat trekt me. Dat heb ik ook met oud gereedschap. Het geluid dat uit zo’n instrument komt is de attractie. Mijn eerste instrument was een trekharmonica”. De collectie omvat inmiddels meer dan 950 instrumenten, afkomstig uit alle hoeken en uithoeken van de wereld. “Ik haal ze van antiekwinkels, vlooienmarkten, enz. Veilingen kan ook, maar die zijn duur. Gisteren heb ik nog een trommel op de kop getikt. Kijk, vijftien dezelfde instrumenten vind ik niet boeiend. Maar de ontwikkeling van een muziekinstrument, dat vinden mensen leuk. Ik heb bijvoorbeeld een hobo uit 1700, maar ook uit 1750”. Terug naar de trommel, de ‘Tambourain de Provence’. “De bijhorende stok en fluit, de ‘galoubet’, had ik al, de trommel niet. Dit instrument werd al in de Middeleeuwen bespeeld. In Zuid-Frankrijk, Engeland en Baskenland gebeurt dit nog steeds. Wat dat betreft is Nederland het volk van schilders, voor muziek moet je niet in Nederland zijn”.

Toch komen de bezoekers voornamelijk uit eigen land. Maar ook buitenlandse studenten. “Zij zien hier de instrumenten uit hun eigen land. Ze kunnen mij dan weer wat leren. Verder komen hier veel groepen, families, lionclubs en vrouwen van nu. In totaal gaat het om zesduizend bezoekers per jaar. In het begin kwamen er nog zevenduizend, maar dat aantal halen we niet meer. We huren dit gebouw van Stichting Kraus-Groeneveld (dit echtpaar kocht in 1890 deze voormalige boerderij met bos, red.)”. In dit paleis bevindt zich de rijke collectie instrumenten. De oudste is de Griekse ‘aulos’. “Oftewel een ‘dubbele schalmei’. Deze stamt uit 500 voor Christus. Het is gemaakt van hertenbot. Zeg maar een doedelzak zonder zak. Het werd gespeeld ter ere van ‘God van de Wijn’, Dionios of Bacchus. ‘Bungabunga’-feesten zeggen ze tegenwoordig. Deze is zeldzaam; er zijn er maar drie van bewaard. De ene bevindt zich in het Louvre in Parijs, de tweede in het British Museum Londen en de derde in Vosbergen. Ik heb deze in een antiekwinkel in Londen gekocht. Maar deze was nogal prijzig. Ik zou thuis eerst sparen, de aulo werd voor mij bewaard. De instrumenten zijn nog steeds in ontwikkeling. Zoals de ‘tubax’. Deze heeft dezelfde klankkleur als de contrabas of saxofoon. Maar is veel bespeelbaarder.”

Het museum bestaat uit zeven deelcollecties: standaard, blaas snaar, koperblaas, buiten-Europees, volksinstrumenten, tongeninstrumenten en automatische instrumenten. Verel noemt de laatste groep de ‘voorloper van de MP3’. We krijgen een uitgebreide rondleiding. Verel wijst op de stylofoon, de voorloper van de synthesizer. Het zijn niet alleen instrumenten, maar ook bijhorende gereedschappen, zoals de stemvork. Verel vertelt niet alleen, maar laat ook de klanken horen. En praat over trucjes om noten zuiverder te krijgen. Over het soort hout. “Palmhout is zeer geschikt, nadeel is dat het krom trekt”. Dan de vele bijzondere instrumenten. Een draailier met een houten wiel. “Deze worden in Midden-Frankrijk nog volop gemaakt”. Of de fluitwandelstok. “Als je moe was van het lopen kon je even fluiten”. De hoorn heeft ook een hele ontwikkeling meegemaakt. In Italië cornetto genoemd, naar het bekende ijsje. “Deze met leer beklede hoorn is uitgestorven in de Bach-tijd. Daaruit kwam vervolgens de serpent (slang) voort. Een militaire variant was een soort midwinterhoorn, waarmee Napoleon in 1825 naar Rusland trok”. Bijzonder is ook waar de instrumenten van vervaardigd zijn. De trompet uit een menselijk dijbeen. Of een trommel van een schedel. “Heel gebruikelijk in Tibet”. Apart is ook de Rebab uit Indonesië, de blaas van een karbouw, een buffel. Of de Charango uit Peru. Oorspronkelijk gemaakt van de rug van een gordeldier. Van geheel andere orde is de straatpiano. “Deze droeg je op de rug, maar dan heb je wel over 35 kilo”. De stemming komt erin als Verel nog een zeldzaam fenomeen, de glasharp, bespeelt. “Je maakt de vingers nat en wrijft dan over de glazen, wijnglazen, met bierglas lukt het niet”. Vervolgens speelt Verel het Wilhelmus. “Of ik nog wensen heb? Een zink uit 1750. Die bevindt zich in het Haags museum, maar niet hier. En de ‘clavichord’, een klavierinstrument tussen piano en klavecimbel. En zo kunnen we nog wel uren ronddwalen dit bijzondere, rijke museum. Verel, geboren in Den Haag, sluit op kenmerkende wijze af. “Ik heb genoeg om de gemiddelde bezoeker te amuseren en om de verwende kenner te behagen.” Dat zijn teksten die horen bij een Rijksmuseum, dat hier zonder s wordt geschreven: rijk museum.