‘’Een niet zo pakkende titel deze keer maar ik weet even geen betere te bedenken. We zijn nu ruim drie weken onderweg en de eerste vermoeidheidsverschijnselen dienen zich aan, niet zozeer bij mijzelf, maar bij enkele anderen. Na een korte opleving de tweede week wordt er weer wat meer in de bus gezeten en hebben diverse mensen ’s nachts een paar keer hun maag omgekeerd of liepen anderszins leeg. Dat resulteerde dan in een dag niet fietsen, zodat we nu nog met zijn vijven zijn die alles nog gefietst hebben. Dat zijn op eentje na ook de mensen met wie ik veel omga (ik ben een van die vijf, maar dat was misschien al duidelijk?) Afgezien van een dorpsfeest ter ere van de onafhankelijkheid van Burkina Faso en van onze aanwezigheid (we hadden kamp opgeslagen naast hun moskee, owee, maar het viel mee, de luidspreker stond niet heel luid s morgens) gebeurt er niet veel opmerkelijks. Maar het feest, o la la, dat was me wat. Een beetje heen en weer geslingerd tussen de vraag wat het protocol nu weer zou vereisen en tussen het voor schut zetten van de chef de village door zijn eigen onderdanen brachten we de avond door op het slechts maanverlichte cour central van het dorp, een flink klaslokaal groot (de cour, niet het dorp) . We dansten, aten rijst met vlees en vis, dronken speltbier en schonken het de vrouwen in die niet aan onze jerrycan mochten komen. De chef nam uitvoerig het woord om ons te bedanken voor de passage, uit naam van alle notabelen en de anderen en dat dan een keer of tien achter elkaar (hij is aan het seliniseren en zijn gezag is tanende). Af en toe vond de muziek het genoeg geweest en zette het nieuwe klanken is, waarop de chef direct druk gebarend de muzikanten tot stilte maande. Gelach en schimpscheuten alom. Geen protocol. Maar later bleek dat de dorpelingen pas begonnen met eten nadat wij klaar waren en niet uit onze bak, maar een eigen, een kleinere. Gedanst werd er voornamalijk door ons, maar pas toen een van ons een soort officieel dankwoord uitsprak gingen anderen de dansvloer (lees de stoffige grond) op. Toch protocol. We dansten samen, mochten de xylofoon ook zelf bedienen, deden de polka met de lokale vrouwen. Ook de kinderen waren nog niet naar bed. Tegen twaalven kwam er een groot blik warme zoete koffie, ook weer alleen voor ons, alsof we nog naar huis moesten rijden. Ieder kreeg een persoonlijke begeleider met hoofdlampje mee om de weg naar zijn tent weer te vinden. En dan s morgens om vijf uur: geschuifel bij de moskee, het slot gaat open, de deur wordt krakend open gedaan. Geschuifel binnen, dan bidden zonder versterking (voor ons?) en dan Allah Akbarr!, feest of geen feest, de oproep tot gebed gaat door. Een half uur later hoor je beide voorgangers de moskee weer afsluiten en gezellig keuvelend terug het dorp in sloffen. Ok, een nieuwe dag, om zes uur opstaan, rommel opruimen, zeven uur eten, kwart voor acht op de fiets, het gravel op. Maar, niet dan nadat je even de chef de village nog een handje hebt gegeven en hem nog maar weer eens hebt bedankt voor alles. Vandaag maar een beetje kalm aan, gisteren was het half een ipv de gebruikelijke acht uur in bed. Maar ach, het was nog niet zo warm, de gravelweg is uitstekend, dus…..rijden!’’

Michiel Visser